Femkehalsema.nl
Annie Romein Verschoorlezing
Niet het glazen plafond, maar de armoede onder vrouwen zou dé prioriteit van feministen in Nederland moeten zijn. Dat was de strekking van het betoog dat ik vanavond heb gehouden tijdens de Annie Romein Verschoorlezing op de Universiteit van Leiden.
Laat ik als eerste de organisatie danken voor de eer hier vandaag te mogen spreken. Annie Romein-Verschoor is voor mij geen onbekende. Mijn moeder las, toen ik opgroeide, met grote regelmaat en passie haar werk. Zij mocht daar ook graag uit citeren. Mijn moeder, een huisvrouw die in de jaren zeventig (toen mijn broer en ik ruimschoots op de lagere school zaten) voorzichtig de arbeidsmarkt betrad, voelde zich aangesproken door Romein-Verschoors realistische feminisme. Mijn moeder had weinig op met bh-verbrandingen en verheerlijking van de lesbische liefde om politieke redenen. Zij was zich echter wel heel bewust van de last van de ‘dubbele roeping’ voor vrouwen (van zorg en arbeid), zoals Romein-Verschoor dat zo mooi omschreef.
In zekere zin is Romein-Verschoor dus een heldin van mijn jeugd. Overigens was mijn moeders eerste herinnering, toen ik haar van deze lezing vertelde een geheel andere. Als meisje kreeg zij geschiedenisles aan de hand van de boeken van Jan Romein. Haar vader, een onberispelijke verzekeringsagent, was daarover heel verontwaardigd. Jan Romein was een communist en jonge, fatsoenlijke meisjes mochten daaraan niet blootgesteld worden. Zijn telefonades met de meisjes-HBS daarover haalden echter niets uit en mijn moeders liefde voor het echtpaar Romein-Verschoor bloeide door.
Annie Romein Verschoor was een nuchtere feministe die streed tegen de ‘mentale en materiële achterstelling’ van vrouwen, zonder zich te verliezen in de feministische modes van haar tijd. Dat zij op hoge leeftijd toch een boegbeeld werd van de feministische beweging in de jaren zeventig was meer haars ondanks, dan bewust nagestreefd. Ik wil deze lezing graag in haar traditie plaatsen door een nuchtere en feitelijke verkenning van de situatie van veel Nederlandse vrouwen.
Volgens een voor-vorige minister van Sociale Zaken, CDA-minister De Geus, is de emancipatie van vrouwen zo goed als voltooid. Ondanks dat hij daarmee ook protest ontlokte, verwoordde hij een breed levende gedachte die ook in toenemende mate onder vrouwen beluisterd kan worden. De redenering is dan ongeveer zo. Vrouwen hebben voldoende keuzevrijheid gekregen. Dat zij in grote meerderheid kiezen voor deeltijdbanen in combinatie met de zorg voor kinderen is juist een teken van die vrijheid en daarover moet verder niet worden gezeurd.
Wat er nog over is van een feministische beweging in Nederland concentreert zich vooral op het glazen plafond voor vrouwen aan de top. Het felste debat gaat ook niet meer over achterstelling maar over de mentaliteit van vrouwen zelf. Zoals NRC-columniste Heleen Mees het samenvat: ‘hoogopgeleide vrouwen zijn gemakkelijke keuzefeministen die genoegen nemen met inferieure baantjes’. Lijnrecht tegenover haar staat Elsevier-journaliste Marieke Stellinga die even eloquent beweert dat ‘vrouwonvriendelijke feministen het fabeltje hebben verzonnen dat vrouwen hetzelfde willen als mannen’. Ofwel, vrouwen zijn domweg gelukkig met de keuzes die zij maken, namelijk kleine deeltijdbanen, en hou op ze te betuttelen.
Beide vrouwen – die ik hier aanhaal als prototypen van twee uiterste posities – veronderstellen dat vrouwen in Nederland volledige vrij zijn en goede òf verkeerde keuzes maken. Zonder de eigen verantwoordelijkheid van vrouwen teniet te willen doen, is dit wat mij betreft een elitaire en naar binnen gekeerde discussie die meer zegt over de maatschappelijke positie van de betrokken bevoorrechte vrouwen, dan over Nederlandse vrouwen in het algemeen.
Mijn stelling is dat het met veel vrouwen in Nederland niet goed, of niet goed genoeg gaat en dat dit een verwaarloosd maatschappelijk en emancipatieprobleem is. Armoede en kansarmoede concentreren zich onder vrouwen; financiële en emotionele afhankelijkheid zijn eerder regel dan uitzondering. Bij veel vrouwen is ook geen sprake van keuzevrijheid maar eerder van keuzedwang.
Om die stelling te onderbouwen, moet ik u eerst – excuus daarvoor – een aantal cijfers geven.
Van de 10% hoogste inkomens in Nederland is 85% man. De laagste inkomensgroepen in Nederland bestaan voor tweederde uit vrouwen. Rijke mensen zijn veelal man en – helaas is het omgekeerde ook waar: arme mensen zijn vaker vrouw. Armoede komt het meeste voor onder jonge alleenstaande moeders in de bijstand. Bijstandsmoeders lopen het grootste risico op langdurige armoede.
Zoals u allen weet gaat armoede niet alleen over het bij elkaar schrapen van dubbeltjes of de eindjes aan elkaar knopen; arme mensen zijn dikwijls ongezonder, zij hebben een kortere levensverwachting, wonen beroerder en hebben minder sociale contacten. Armoede leeft ook dikwijls voort van generatie op generatie, en heeft grote invloed op de ontwikkeling en opleiding van kinderen. In het rijke Nederland groeien 310.000 kinderen op in armoede, voor een belangrijk deel bij alleenstaande moeders.
Hier staat tegenover dat een toenemend aantal vrouwen een eigen inkomen heeft. Door loon of een uitkering heeft 84% van de vrouwen inmiddels zelf geld, tegenover 97% van de mannen. Het gemiddelde inkomen van vrouwen is echter nauwelijks de helft van dat van mannen. Vrouwen verdienden in 2006 gemiddeld 18.000 euro per jaar, bij mannen was dat 33.000 euro. Hoewel vrouwen dus wel vaker een inkomen hebben, is maar een minderheid van hen economisch zelfstandig. Economisch zelfstandig ben je namelijk als je jaarlijks 70% verdient van het wettelijk minimumloon. Dat is 13.000 euro bruto; netto is het 11.000 euro – bepaald geen vetpot.
Maar 45% van de Nederlandse vrouwen verdient jaarlijks meer dan 11.000 euro en mag daarmee economisch zelfstandig worden genoemd. 55% Van de Nederlandse vrouwen is voor een leefbaar inkomen – en daarmee voor de zekerheid van verzekeringen, van pensioenopbouw en voor het garanderen van de welvaart van hun kinderen – afhankelijk van een partner.
Bovendien zijn dit gemiddelden van alle vrouwen. Als je onderscheid maakt naar opleidingsniveau dan zie je dat vooral laagopgeleide en oudere vrouwen in armoede en werkloosheid leven. Van de vrouwen die alleen basisonderwijs hebben gehad, werkt slechts een kwart, tegenover 50% van de mannen.
Nog somberder worden de cijfers als je onderscheid gaat maken naar etniciteit. Van de Turkse en Marokkaanse vrouwen in Nederland heeft ongeveer de helft alleen basisonderwijs gevolgd. Waar 84% van alle vrouwen enig inkomen heeft, geldt dat slechts voor 22% van de Turkse vrouwen en 28% van de Marokkaanse vrouwen. Dat betekent dat de uitkeringsafhankelijkheid onder hen ook veel minder groot is maar dat drie kwart van hen helemaal geen eigen geld heeft; zij zijn volledig afhankelijk van hun partner. Daar kun je bovendien bij optellen dat van de kleine minderheid aan Turkse en Marokkaanse vrouwen dat enig eigen inkomen heeft, maar 20% meer verdient dan 11.000 euro netto per jaar. Slechts een fractie van de Turkse en Marokkaanse vrouwen is dus economisch zelfstandig.
Vaak worden sombere verhalen over de positie van Turkse en Marokkaanse vrouwen afgezet tegen het succes van veel jonge allochtone meiden. Dat is maar ten dele terecht. Turkse en Marokkaanse meiden lopen hun achterstanden in het onderwijs inderdaad in maar er bestaan nog aanzienlijke verschillen. In 2008 ging 22% van de Turkse en 23% van de Marokkaanse meiden naar HAVO/VWO, tegenover 50% van de autochtone meiden.
Tot zover de cijfers. Nu wordt tegenover dit soort sombere getallen dikwijls het verweer in stelling gebracht dat het in werkelijkheid wel meevalt met de armoede onder vrouwen: zij leven samen met een man die wel een groter inkomen inbrengt. Het zogenaamde anderhalfverdienersmodel, waarmee Nederland internationale roem heeft vergaard. Dat klopt inderdaad voor een groot aantal vrouwen maar het neemt niet weg dat dit een lui en ongeïnteresseerd verweer is. Eigenlijk is het een excuus om de positie van vrouwen zo te laten als deze is, en dat is voor mij niet aanvaardbaar.
Ik heb daarvoor twee redenen.
- Inmiddels strandt in Nederland 1 op de 3 huwelijken. Onder samenwonenden ligt dit zelfs nog hoger: namelijk naar schatting 40%. Een deel van de vrouwen die nu niet werkt of in een kleine, slecht betaalde deeltijdbaan waardoor zij niet economisch zelfstandig zijn, wordt dus na een echtscheiding geconfronteerd met een forse daling van het inkomen. Alimentatieregelingen compenseren dit maar gedeeltelijk en aangezien zij vaak eerste opvoeder zijn, trekken deze gescheiden vrouwen hun kinderen ook mee in armoede.
- Bovendien, ook als er geen sprake is van een echtscheiding, is de gemakzuchtige verwijzing naar het anderhalfverdienersmodel, naar het inkomen van de man, kwalijk. Vanzelfsprekend kan een vrije vrouw, die er voor kiest om thuis te blijven bij de kinderen, geen strobreed in de weg worden gelegd. Alleen, al te gemakkelijk wordt verondersteld dat al deze vrouwen een vrije keuze maken. Het zijn vooral de vrouwen met lage opleidingen en nauwelijks werkervaring die geen inkomen hebben, of een heel laag inkomen. Zij hebben ook vaak slechte toegang tot de arbeidsmarkt, en als zij het wel hebben dan is het werk dat zij kunnen doen heel onaantrekkelijk. De keuze om thuis te blijven bij de kinderen is dan veel minder vrij dan het lijkt, èn dan het is voor hoogopgeleide deeltijdfeministen zoals Marieke Stellinga en mogelijk ook mijn geëerde co-referent Rosanne Herzberger. Ofwel, keuzevrijheid bij laagopgeleide en kansarme vrouwen is een fictie. En als dit luxefeministen onvoldoende overtuigt, dan is het goed om de privé- en maatschappelijke omstandigheden van veel Turkse en Marokkaanse vrouwen eens grondig te bestuderen. Dikwijls door de vrouwen zelf, maar ook door hun mannen en de gemeenschappen wordt werk voor vrouwen nog beschouwd als oneervol en vernederend. De keuze om thuis te zijn, niet te werken en voor de kinderen te zorgen komt vaak voort uit sociale druk en culturele en religieuze tradities. Van een echt vrije keuze is dan geen sprake.
Kortom, het gemak waarmee de financiële afhankelijkheid van vrouwen wordt gebombardeerd tot een vrije keuze waarmee anderen zich niet hebben te bemoeien is een vorm van elitair luxe-denken. Voor teveel vrouwen in Nederland, autochtoon èn allochtoon, gaat het wel om een gedwongen keuze die het gevolg is van slechte opleidingen, een gebrek aan kansen en ouderwetse rolpatronen.
In de vrouwenbeweging is het besef van de noodzaak van economische zelfstandigheid van vrouwen heel lang dwingend aanwezig geweest. Pas de laatste jaren maakt dit onder een aantal vooraanstaande vrouwen – nu van een werkelijke vrouwenbeweging geen sprake meer is – plaats voor de gedachte dat vrouwen ‘zelf verantwoordelijk zijn voor hun toekomst, en ook voor het gebrek er aan’.
Niet alleen komt mij dit vreemd en niet-solidair voor jegens de vrouwen die het minder hebben getroffen, de luxe-feministen lijken ook te miskennen dat ons in de toekomst grote arbeidstekorten wachten. Naar schatting zijn er in 2025 470.000 extra werknemers nodig in de zorg, terwijl de beroepsbevolking in die periode slechts stijgt met 20.000 arbeidskrachten. Ook in het onderwijs worden grote tekorten verwacht, waar op dit moment een kwart van de werknemers boven de 50 jaar is.
De vrouwenbeweging heeft in het verleden, net als overigens mijn partij GroenLinks, altijd gepleit voor een ontspannen arbeidsmarkt, waarin iedereen redelijke uren (veelal in grotere deeltijdbanen) werkt. Ik streef niet na dat alle vrouwen en alle mannen fulltime gaan werken. Ik streef na dat elk mens in Nederland – ongeacht het samenlevingsverband – door in ieder geval een grotere èn beter betalende deeltijdbaan, zelfstandige financiele en maatschappelijke keuzes kan maken.
Als de arbeidsparticipatie onder vrouwen zo dramatisch laag blijft als zij nu is, dan zal de toenemende hoeveelheid werk zich concentreren onder de partners die veelal al fulltime werken. Als daarbij slechts een minderheid van de vrouwen economisch zelfstandig blijft, zoals nu het geval is, zal door het gebruik van uitkeringen – bijvoorbeeld door een toenemend aantal echtscheidingen – de verzorgingsstaat onbetaalbaar worden. Dan is het ook realistisch om te veronderstellen dat armoede – meer nog dan het nu al is – een vrouwenprobleem wordt.
Er is dus een belangrijke economische reden dat de overheid vrouwenemancipatie opnieuw ter hand neemt en kritisch is op de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen die veel regelingen nog steeds produceren. Dit betekent dat paal en perk wordt gesteld aan ongelijke beloning van mannen en vrouwen, dat de aanrechtsubsidie verdwijnt die vooral vrouwen aanmoedigt om thuis te blijven en dat alleenstaande moeders wel degelijk een sollicitatieplicht krijgen: thuis mogen blijven met je kinderen en een bijstandsuitkering is namelijk geen luxe, het is armoede. Het betekent ook dat deeltijdarbeid beter betaald moet worden, dat de kinderopvang goed en betaalbaar is en dat er uitgebreide verlofregelingen zijn voor vrouwen èn voor mannen en dat deze ook toegankelijk zijn voor lage inkomens.
Maar, voor deze lezing belangrijker dan de economische effecten, is wat sociale en economische achterstand voor de betrokken vrouwen zelf betekent.
Vrijheid is ook in een rijk land als Nederland nog altijd ongelijk verdeeld. Bij een hoger inkomen, bij een betere opleiding is de vrijheid om je eigen leven naar believen in te richten, over het algemeen groter. Kansarme mannen zijn vaak onvrijer in de keuzes die zij kunnen maken dan kansrijke mannen. Veel autochtonen kennen door hun geboorteplek en hun startpositie in het leven een grotere keuzevrijheid dan allochtonen. Veel mannen zijn vrijer dan vrouwen en kansrijke vrouwen hebben veel meer keuzemogelijkheden dan kansarme vrouwen.
Behalve voor nieuw politiek emancipatie-elan, pleit ik ook voor hernieuwde, feministische solidariteit. De vrouwenemancipatie was niet afgerond toen voor kansrijke meisjes de universiteitsdeuren opengingen en zij hun plek op de arbeidsmarkt konden gaan vinden. Achter hen, en op grote afstand, zijn er veel kwetsbare meisjes en vrouwen, die door een gebrek aan opleiding, door oude rolpatronen en culturele en religieuze tradities, weinig perspectief hebben en soms noodgedwongen in financiële afhankelijkheid leven.
Toen ik opgroeide zei mijn moeder vaak tegen mij dat het een vergissing is om te denken dat emancipatie leuk of gemakkelijk is. Ik denk dat zij daarbij geïnspireerd was door de werken van Annie Romein-Verschoor. Inderdaad kan het voor veel, vooral bevoorrechte vrouwen gemakkelijk en een luxe zijn om er voor te kunnen kiezen om thuis te blijven bij hun kinderen. Ik bestrijd dat zij daar verstandig aan doen: om maatschappelijke redenen en met het oog op hun eigen toekomst.
Maar voor mij is het onverteerbaar dat we wegkijken bij de achterstand en achterstelling van vooral laagopgeleide en kansarme vrouwen onder verwijzing naar ‘de eigen verantwoordelijkheid’ en hun ‘keuzevrijheid’. Hun emancipatie, hun groei naar economische en sociale zelfstandigheid is niet gemakkelijk, het zelfs heel weerbarstig. Maar het is noodzakelijk en het vergt onze solidariteit.
Politici, polariseer het land niet kapot
Overmatige uitvergroting van onderlinge verschillen en slechte persoonlijke chemie in verkiezingstijd is desastreus voor het land. Lees hier mijn opiniestuk dat vandaag in de Volkskrant is verschenen.
De verkiezingsuitslagen van de gemeenteraden laten een versplinterd Nederland zien. De tijd van geslaagde grote partijfusies en de trek van kiezers naar de drie machtspartijen CDA, VVD en PvdA ligt achter ons. Het proces van politieke fragmentatie zet nu zo hard door dat de regeerbaarheid van ons land onder zware druk staat. Brede Volkspartijen zijn verschrompeld.
Doordat CDA, VVD en PvdA het afgelopen decennium weinig stabiele en betrouwbare regeringen voortbrachten, is hun vanzelfsprekende toegang tot de macht in het geding. Toenemende politieke instabiliteit is hand in hand gegaan met culturele polarisatie en economische onzekerheid, waarbij de klassieke machtspartijen hebben nagelaten een verweer te formuleren tegen opkomend rechts en links populisme. Het is dan logisch dat zij meer en meer concurrentie ondervinden van (voorheen kleinere) partijen met een herkenbaar programmatisch profiel, die minder behept zijn met geloofwaardigheidsproblemen.
Het ziet er niet naar uit dat de komende Tweede Kamerverkiezing een grote verandering gaat brengen in het versplinterde politieke landschap, Om na 9 juni een regering te kunnen vormen is samenwerking met meer partijen dus geboden. Een tweepartijenkabinet is uitgesloten, maar ook een driepartijenkabinet lijkt onrealistisch. Want de drie traditionele regeringspartners – CDA en PvdA voorop – maken elkaar zo zwart dat samenwerken in een coalitie schier onmogelijk wordt.
De andere, voor mij heel onwenselijke, driepartijencoalitie van PVV, CDA en VVD heeft op dit moment geen meerderheid. Bovendien stuit deze coalitie op een levensgroot probleem: de huidige samenstelling van de Eerste Kamer. Ieder wetsvoorstel dient na aanvaarding in de Tweede Kamer ook de Eerste Kamer te passeren en als die een voorstel afkeurt staat elke regering met lege handen. Ook in de Eerste Kamer moet een nieuwe regering dus een werkbare meerderheid zien te vinden, al binden regeringsfracties in de Eerste Kamer zich formeel niet aan een regeerakkoord. De PVV gaat nu een hoge de prijs betalen voor het besluit om niet deel te nemen aan de Statenverkiezingen in 2007. Want zolang de PVV geen zetels heeft in de Eerse Kamer is zij niet in staat om aan een daadkrachtige regering deel te nemen.
De volgende Eerste Kamer wordt pas rond juni 2011 gekozen, drie maanden na de volgende verkiezingen voor de Provinciale Staten in maart 2011. Het is maar zeer de vraag of de PVV dan wel in twaalf provincies genoeg geschikte mensen weet te vinden. De partij heeft nu in 429 Nederlandse gemeenten niet meegedaan bij gebrek aan kader, en in de twee steden waar men wel meedeed werden Kamerleden ingevlogen. Deze slechte praktijk van dubbelmandaten is niet vol te houden en ook niet gewenst. In Frankrijk bijvoorbeeld, waar dubbelmandaten gebruikelijk zijn, leidt dit tot een opeenhoping van persoonlijke macht en vriendjespolitiek.
De ongelijke zetelverdeling in de Eerste Kamer en de Tweede Kamer sluit na 9 juni een aantal regeringscombinaties uit, in één of in beide Kamers. Het gaat daarbij zowel om rechtse als linkse combinaties. CDA, VVD en PVV: geen meerderheid. CDA, VVD en D66: geen meerderheid. CDA, VVD en ChristenUnie: geen meerderheid. PvdA, SP, GroenLinks en D66: idem dito. Paars, aangevuld met GroenLinks: geen meerderheid. CDA en VVD met gedoogsteun van de PVV: een lachertje. Alleen combinaties waarin de VVD èn de SP zitten of CDA èn PvdA, samen met andere partijen naar keuze, komen tot een meerderheid. Deze partijen sluiten elkaar nu impliciet of expliciet uit.
Het gevolg is dat midden in een economische crisis elk kabinet dat een meerderheid in de gehele Staten-Generaal ontbeert in ieder geval in haar eerste regeringsjaar verlamd zal zijn (en mogelijk ook daarna). Met de noodzaak onze economie, arbeidsmarkt en publieke sector fors te hervormen en tegelijkertijd de overheidsschuld met zo’n 35 miljard te verminderen is dit dramatisch en onverantwoord.
De enige manier waarop het gevaar van verlamming kan worden gekeerd, is als politici bereid zijn in hun opvattingen, toon en stijl een cultuurbreuk te forceren. Vooral CDA en PvdA lijken zich op te maken voor een herhaling van de desastreuze verkiezingsstrijd uit 2006. Zij zijn tot dusver nauwelijks op zoek naar effectieve samenwerking, maar lijken er enkel op uit te zijn de grootste partij te willen worden om de premier te kunnen leveren. Daarmee geven zij zich er geen rekenschap dat de overmatige uitvergroting van hun onderlinge verschillen en slechte persoonlijke chemie in verkiezingstijd desastreus kan zijn voor ons land. Als de uitslag hen namelijk toch dwingt tot samenwerking, dan leidt dat niet alleen tot een forse teleurstelling bij hun kiezers, maar hebben zij in hun polariserende en misleidende verkiezingsstrijd de kiem gelegd voor een nieuw’ vechtkabinet. Net zo’n kabinet dat twee weken geleden roemloos ten onder ging en absoluut geen antwoord biedt op de enorme uitdagingen waarvoor Nederland staat.
Uiteraard moet er in verkiezingstijd ruimte zijn om verschillen te benadrukken, omwille van de politieke duidelijkheid die kiezers verlangen. Meer dan voorheen moeten kiezers er echter op voorbereid worden dat ‘onverzoenlijke’ tegenstanders na 9 juni elkaars regeringspartners kunnen worden. Gebeurt dat niet dan slaat de teleurstelling bij kiezers om in grote weerzin die zich dan ook tegen noodzakelijke hervormingsvoorstellen keert.
Dit stelt drie eisen aan de leidende politici en hun partijen in de komende verkiezingscampagnes.
1. Vermijd dat inhoudelijke verschillen, die in de politieke werkelijkheid van alledag wel degelijk overbrugbaar zijn, als onverzoenlijk worden opgeklopt. Ondanks dat veel partijen bijvoorbeeld verschillende opvattingen hebben over de wijze waarop de AOW-leeftijd moet worden verhoogd, is er brede overeenstemming over de noodzaak dàt dit moet gebeuren. Met uitzondering van de PVV, wenst ook geen enkele politieke partij hiervan een breekpunt te maken. Van de SP mag dan bijvoorbeeld verwacht worden dat zij niet alleen in campagnetijd roept dat verhoging van de AOW-leeftijd ‘a-sociaal’ is, maar ook aangeeft op welke wijze zij verandering wel verantwoord vindt. Van politici mag worden verwacht dat zij het sluiten van compromissen als eervol verdedigen, zeker als zij tegelijkertijd de onderliggende idealen helder voor het voetlicht weten te brengen.
2. Maak van politieke meningsverschillen geen persoonlijke vetes. Het moddergooien tussen politici van CDA en PvdA huize moet worden gestopt. Terukijkend kunnen we vaststellen dat de jarenlange verwijten van leugens en ‘draaien’ over en weer, de geloofwaardigheid van alle betrokken politici ernstig heeft aangetast. De politieke leiders Balkenende en Bos zijn er zelf verantwoordelijk voor dat hun opgehoopte, persoonlijke rancune tot onwerkbare verhoudingen heeft geleid. Een herhaling hiervan kan niemand zich permitteren. Herstel van politieke geloofwaardigheid betekent ook dat politici open en eerlijk zijn over de rol die zij voor zichzelf zien weggelegd na de verkiezingen. Het is slecht voor de verhoudingen als politieke leiders zitting nemen in een nieuw kabinet en daar vier jaar lang hun campagnestrijd voortzetten. Zij horen als politiek leider plaats te nemen in de Tweede Kamer; of als zij toetreden tot een kabinet, dit over te geven aan een nieuwe fractievoorzitter.
3. Maak van kamerverkiezingen geen premiersverkiezingen. Het is onjuist om in deze onzekere tijden als politiek leider exclusief voor het premierschap te gaan en na een tegenvaller mokkend de politiek te verlaten omdat die ‘heldenrol’ niet voor je blijkt te zijn weggelegd. Zeker nu, kan de politiek niet worden teruggebracht tot een instrument van persoonlijke genoegdoening, maar moeten politici hun dienstbaarheid aan het algemeen belang tonen.
Het is heel simpel: het belang om Nederland verantwoord en niet verdeeld door de economische crisis te helpen, gaat nu boven partijpolitiek belang en al helemaal boven persoonlijk belang.
Femke Halsema
met dank aan Jan Willem Jurg (zelfstandig adviseur)
Toespraak Twist: vrij internet
Goeienavond allemaal
Goeienavond, alle twitteraars, internetliefhebbers, minnaars van het vrije woord en van het vrije web, nerds, vrienden, bloggers, downloaders.
Ik vind het geweldig dat jullie er vanavond allemaal zijn op twist: ons gezamenlijke feest voor het vrije web!
Vanavond is het ook geen partijpolitieke avond. Ik ken mijn twitteraars, mijn twappenheimers. Ook al zijn er vast velen van dezelfde politieke richting als ik, velen vanavond ook niet.
Dus hoe groot de verleiding voor mij ook is, ik houd me in en zal niet uitwijden over lokale lasten (en hoe deze stijgen), de gemeentelijke beslissingen over Uruzgan, ruziende ministers of een hoofddoekjesverbod.
Want ook al woedt er op de achtergrond ergens een dubbele verkiezingscampagne, vanavond zetten wij deze even opzij.
Dit is een internetfeest! Vanavond bewijzen wij het ongelijk van onze geliefde koningin, van alle somberaars en pessimisten die vinden dat internet onze cultuur verloedert, onze kinderen verpest en onze ouders en opa’s en oma’s isoleert. ‘Wij praten zonder tevoorschijn te komen’, zei de koningin: ‘we komen niet dichter bij elkaar maar we vervreemden.
Het is groteske onzin.
Twitter geeft gezelligheid. Het wenst je welterusten en beterschap, levert je commentaar, bemoeit zich met je zaken. Soms zelfs zoveel, soms is de sociale controle zo groot, dat je hoopt dat al die zelfbenoemde digitale buren eens even een eindje gaan wandelen.
En sinds de val van het kabinet weten we ook dat – niet de publieke omroep – maar wel twitter je door een lange nacht heen helpt en je de snelste informatie geeft. Een handje geholpen door Frits Wester – dat is waar -, die op TV inmiddels zijn telefoon en zijn twitter niet meer loslaat.
Hoe vaak kan ook niet de maandagkrant direct bij het oud papier, omdat op weblogs, op talloze sites en internetmagazines al lang de nieuwsanalyses zijn gemaakt, de meningen zijn gegeven – en niet 1 keer maar drie keer
Natuurlijk zijn de meningen soms rauw, onbeschoft en kwetsend. Maar ja, dat is het echte leven ook. Soms heb ik mijn buik vol van anonieme rotzakken die mij een loopse teef noemen of gewoon ronduit bedreigen.
Maar ik neem de zoveelste pukkelige, seksueel gefrustreerde puber uiteindelijk voor lief als ik daar Oxfordgirl voor terugkrijg, die haar anonimiteit broodnodig heeft om de wereld te kunnen vertellen over de groene revolutie in Iran.
Ik baal van de viagra-spam die elke keer weer opduikt in mijn mail. Maar ik baal nog veel meer van de Chinese autoriteiten als zij hun macht gebruiken om google te weren.
Het web is soms vuil en vunzig, soms lief en ontroerend, soms nieuwsgierig en soms veroordelend. Het maakt allemaal niet uit zo lang het web vrij is, zo lang het een grote en ongefilterde democratische ruimte kan zijn.
Vanavond vieren we feest. Vanavond zijn de partijpolitiek, de gemeentelijke politiek en de landelijke politiek afwezig maar – eerlijk is eerlijk – het is wel een feest met een politiek randje.
Want hoe verschillend we allemaal ook zijn, wat ook onze politieke voorkeuren zijn, we zijn allemaal de liefhebbers van het vrije web.
En we weten dat het vrije web wordt bedreigd.
Door downloadverboden
Door rigide auteursrechten
Door de entertainmentindustrie die doet alsof zij muzikanten beschermt maar zelf winst wil maken
Door grote multinationals die marktmonopolies willen hebben ten koste van gewone burgers
Door opsporingsautoriteiten die de privacy en de anonimiteit aantasten
En door dictatoriale regimes die digitale vrijheid van hun burgers bedreigend vinden.
Vanavond vieren we feest, we maken kennis in levende lijve en we voeren de gesprekken die we in 140 tekens niet hebben afgemaakt.
Maar misschien zetten we vanavond – door hier met zovelen te zijn – ook wel een stap in de richting van een echte digitale burgerrechtenbeweging. Een moderne beweging – die niet achter spandoeken oprukt naar de dam, maar activistisch is door met haar muis te klikken.
Ik hoop op een digitale burgerrechtenbeweging die strijdt voor:
het recht op vrije toegang tot internet: altijd en overal
het recht op vrij gebruik van internetinformatie, altijd, overal en door iedereen
het recht op digitale privacy, overal en voor iedereen!
Maar dat is allemaal voor later. Voor nu wil ik alleen nog tegen jullie zeggen:
Lach, klets, dans, feest en twitter!
Livestream #Twist!
Jammer dat je niet op mijn feest voor een vrij internet kan zijn. Gelukkig kun je hier wel de livestream volgen. Doe ook mee aan de actie tegen het downloadverbod “wanted for downloading”
.
twitstat.badge.init({
badge_container: "twitstat_badge_261",
title: "Femke's Twist",
keywords: "#twist OR \"femke halsema\" OR \"femkehalsema\"",
max: 4,
border_color: "#ff0000",
header_background: "#739D39",
header_font_color: "#ffffff",
content_background_color: "#57CBF2",
content_font_color: "#333333",
link_color: "#499106",
width: 500
});
Beste partijgenoten, beste kiezers,
Na stevig nadenken heb ik besloten mij nog één keer beschikbaar te stellen als lijsttrekker van GroenLinks. Aangezien GroenLinks de regel kent waarbij een volksvertegenwoordiger maximaal drie termijnen dient (en ik die termijnen er bij de landelijke verkiezingen in 2011 op heb zitten), heb ik behoefte me te verantwoorden voor mijn beslissing. Ik heb drie redenen waarom ik mij erop verheug om voor GroenLinks de verkiezingsstrijd aan te gaan.
1. De politieke omstandigheden
Wij bevinden ons op een scharnierpunt in de tijd. De economische crisis, samen met de grote internationale klimaat- en voedselproblemen, dwingt ons tot het herzien van onze economische en maatschappelijke verhoudingen. Dit is niet een kwestie van een tijdje ‘de broekriem aanhalen’ en daarna ons leven als vanouds voortzetten. Behoud van onze welvaart en ons welzijn op de lange termijn dwingt ons nu tot grote ingrepen in ons pensioenstelsel, ons arbeidsbestel, op de woningmarkt enz. Er is een prachtige kans om onze economie meer duurzaam te maken, en onze samenleving rechtvaardiger te organiseren maar dat vergt politieke moed en de bereidheid om lastige maatregelen voor te leggen aan een bezorgd en dikwijls morrend electoraat.
Daarbij komt dat de culturele en etnische tegenstellingen in ons land, en internationaal, fors toenemen. Deze tegenstellingen rusten op reële problemen van achterstand, schooluitval, criminaliteit, discriminatie en religieuze intolerantie. Er is een dringende nood aan praktische politieke oplossingen om te vermijden dat de polarisatie groter en (nog) ideologischer wordt waardoor ook de bereidheid in onze samenleving ondermijnd raakt om gezamenlijk een verantwoorde uitweg te zoeken uit de economische crisis.
2. De politieke positie van GroenLinks
De afgelopen jaren waren niet de gemakkelijkste. Vanaf 2002 heeft GroenLinks electorale en maatschappelijke tegenwind gehad. Hoewel dit ten dele buiten onze macht lag, was er ook wel degelijk noodzaak om opnieuw en kritisch naar onszelf te kijken. Dat hebben wij consequent gedaan. De afgelopen jaren is ons sociale programma gemoderniseerd. Onze positie als vrijheidslievende en mensenrechtelijke partij is sterker gevestigd. Onze opvattingen over klimaat en milieu bevinden zich niet langer aan de rand, maar in het hart van het politieke debat (daarbij hielp het aanzienlijk dat andere partijen in onze richting bewogen). Dit lijkt zich sinds enige tijd uit te betalen in duurzame groei van ons electoraat en in een mooie overwinning bij de Europese verkiezingen.
Met de grote economische, sociale en culturele problemen waarmee Nederland kampt, is er behoefte aan stabiele politieke partijen, die bereid zijn regeringsverantwoordelijkheid te dragen. GroenLinks is daartoe van harte bereid.
3. Mijn positie
Het is simpel. Bij de verkiezingen van 2011 ben ik 13 jaar lid van de Tweede Kamer. Ik wil er dolgraag graag bij zijn als GroenLinks haar inspanningen van de afgelopen jaren verzilvert en ik wil even graag de verantwoordelijkheid nemen voor verdediging van ons hervormingsprogramma tijdens de verkiezingen en daarna. Natuurlijk lonkt het vrije leven weleens, maar de politiek trekt harder.
Ben ik de enige die GroenLinks kan leiden? Natuurlijk niet! Maar ik ben er wel van overtuigd dat in een enigszins hysterisch politiek bestel er verlangen is naar politici met ervaring, vertrouwen & gezag, en dat GroenLinks daar van kan profiteren.
Vandaar mijn hernieuwde kandidatuur.
Hartelijks,
Femke
Uitstoot raakt armsten
De kranten koppen ‘het gaat om het geld’ en NRC-Handelsblad analyseert terecht dat klimaatverandering vooral een internationaal verdelingsvraagstuk is. Dat klopt als een bus.
Overwegend rechtse klimaatsceptici suggereren graag dat het om een dure hobby van ‘bomenknuffelaars’ gaat die zich aan elke stam willen vastketenen. In werkelijkheid levert klimaat een groot sociaal en economisch probleem op.
Het is vaker gezegd, de uitstoot van broeikasgassen in Europa, Amerika en Australië raken de allerarmsten en hun kinderen het hardst. In een prachtige fotoreportage in Vanity Fair, wordt deze oneerlijke spreiding van welvaart en vervuiling indringend zichtbaar gemaakt.
Een van de geportretteerden is Amena Khatun, een oude vrouw die haar hele leven woonde in een dorp aan een rivier in Bangladesh. Omdat het water steeg heeft zij moeten verkassen naar de sloppenwijken in Dhaka, Bangladesh’ hoofdstad.
Het is een verhaal uit duizenden, van arme boeren, herders en vissers die hun vruchtbare land tot woestijn zagen worden of het water om hen heen zagen stijgen. Het is onze welvaart die elders tot vervuiling en crisis leidt en de principiële vraag die in Kopenhagen moet worden beantwoord is of wij bereid zijn daar nu een eerlijke prijs voor te gaan betalen.
Dat betekent vooral dat wij derde wereldeconomieën in staat moeten stellen om te groeien, zonder dat zij er net zo’n rommel van maken als wij. Dan zullen wij (het rijke deel van de wereld) hen geld en middelen moeten geven om zich aan te kunnen passen aan klimaatverandering en te kunnen investeren in milieutechnologie.
En dat is niet alles. Wij zullen ook het goede voorbeeld moeten geven door ons aan een internationale afspraak over vermindering van de uitstoot te houden en door in eigen land stevige maatregelen te treffen.
Vandaag presenteert mijn collega Kees Vendrik in de Tweede Kamer zijn klimaatbegroting. Hij laat zien dat Nederland met een paar moedige beslissingen de uitstoot van CO2 met 40% kan verminderen in 2020.
Consumenten hoeven daarvoor geen halsbrekende toeren uit te halen, noch hoef je op een korte termijn woningisolatie te verplichten zoals de PvdA voorstelt. Wat je nodig hebt zijn een aantal scherpe financiële keuzes en politieke wil. Het geldt in Kopenhagen, het geldt in Nederland voor het kabinet: ‘put your money where your mouth is’.
Alle ballen op Obama
Zijn eerdere plan om even langs te wippen op weg naar de Nobelprijs-uitreiking, stemde somber. Als ‘leider van de wereld’ is hij de enige die 192 dwarse landen op een lijn kan krijgen om klimaatverandering nu een halt toe te roepen.
Hij heeft de positie om grootverbruikers (zoals China) aan een echte afspraak te binden en rijke, westerse landen te dwingen te investeren in duurzame economische groei in de derde wereld.
Maar onmiskenbaar huizen er twee zielen in Obama’s borst. Er is de progressieve democraat die samen met Al Gore meermalen heeft beklemtoond dat klimaatverandering één van de grootste problemen van onze tijd is.
Maar hij is ook de president van het meest vervuilende land van de wereld. De leider van Amerikanen die ongeacht hun politieke kleur getrouwd zijn met hun airconditioning, hun benzineslurpende auto’s en hun huizenhoge koelkasten (en het liefst drie).
In de Verenigde Staten zijn energiebesparing en vermindering van de CO2-uitstoot niet meer en niet minder dan een frontale aanval op ‘the American Way of Life’. Dat complotten van klimaatsceptici juist in de Verenigde Staten welig tieren, hoeft nauwelijks te verbazen.
Daar mag je nog eens bij optellen dat Obama zijn bevolking en parlement nodig heeft voor een goed maar omstreden gezondheidszorgplan en voor een impopulaire Afghanistanbeslissing.
Dus wat gaat Obama doen? En hebben wij, niet zijnde Amerikaanse kiezers, er wat over te zeggen? Ik denk – helaas – niet zoveel. Wat we kunnen doen, is de druk opvoeren: door demonstraties en acties, en door Europese leiders die Obama eensgezind onder druk zetten.
Alleen als het internationale gezichtsverlies heel groot dreigt te worden, als het buitenlandse commentaar ook – en gezaghebbend – het Amerikaanse binnenland bereikt, zal er wat in beweging komen. En dan nog … Maar vanaf nu moet gelden: alle ballen op Obama!





